De stedes van de Goese Polder - Essay

Bibliografie

 

Gemeente Goes (1970) Beleidsnota Ruimtelijke Ordening, Volkshuisvesting en Openbare werken.

 

Heegers, H. (1997) Masterplan Goese Polder. Delft: Delft University Press.

 

Ibelings, H. (1999) Nederlandse stedenbouw van de 20ste eeuw. Rotterdam: NAi Uitgevers.

 

Leeuw, L.H. de, (n.b.) Goes: Stadsvernieuwing en Ruimtelijke Ontwikkeling 1966-1990 Deel 2. Goes: Gemeente Archief.

 

Zandbergen, M. van, (2005) Groen in de stad. Groen als stedenbouwkundig element in de jaren zeventig. Utrecht: Universiteit Utrecht.

 

 

Alke van den Berg

Inleiding

De wijk de Goese Polder in Goes kende in het midden van de jaren negentig dusdanig ernstige sociale en ruimtelijke problemen dat de gemeente zich genoodzaakt zag om samen met de wijkbewoners een Masterplan op te stellen om de verpaupering en het slechte imago van de wijk tegen te gaan. Aan de basis van met name de ruimtelijke problemen lag de stedebouwkundige typologie van de “stede”, die in grote delen van de wijk, namelijk deelwijk de Goese Polder II, was toegepast. Dit essay probeert vast te stellen wat de achterliggende ideeën en motivaties van de ontwerpers van de stedes zouden kunnen zijn geweest door analyse van het stedebouwkundig plan en historische bronnen. Hiermee wordt een poging gedaan te bepalen of het ontwerp mogelijk een gefrustreerde reactie van de ontwerpers was op wat er voor kwam of iets anders. Het ontwerp lijkt namelijk een antiautoritair plan te zijn dat alle conventies tussen privé en openbare ruimte probeert af te breken.  Verder zal worden getracht om te bepalen of de stedes ooit hebben gefunctioneerd zoals gepland en daarmee of de stede inherent een slecht concept is.

 

De ontwikkelingsgeschiedenis van Goese Polder I

In de periode 1966-1970 kwam de gemeente Goes tot de conclusie dat de tot dan toe aangenomen bevolkingsgroei te laag zou zijn ingeschat. Goes zou niet uitgroeien van een stad van bijna 26.000 inwoners in 1970 tot 40 à 50.000 inwoners in 1985, zoals was voorspeld in het Streekplan Midden-Zeeland 1966, maar zou een stad worden van 100.000 inwoners in het jaar 2000. Deze aanname was in ieder geval gebasseerd op een prognose van het Economisch Technologisch Institiuut voor Zeeland in een publicatie uit 1968 . Deze nieuwe prognose ging er vanuit dat de veel sterkere bevolkingsgroei zou worden veroorzaakt door de ontwikkeling van de zeehavenindustrie aan de Westerschelde, die eenzelfde ontwikkeling zou gaan doormaken als de zeehavenindustrie in de noordelijke delta (figuur 2). Ook de provincie kon zich vinden in deze nieuwe voorspelling en de gemeente Goes besloot dan ook haar ruimtelijke ordeningsbeleid aan te passen aan de nieuwe prognose. Het resultaat van deze aanpassing werd de Beleidsnota “Ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en openbare werken”  met hierin een structuurschets van “groot-Goes” (figuur 1).  Gelijktijdig met het opstellen van het nieuwe beleid werd in 1968 begonnen met de ontwikkeling van de eerste grootschalige uitbreidingswijk; de Goese Polder. De Goese Polder werd als onderdeel van “groot-Goes” ontwikkeld, wat blijkt uit de structuurschets en de toelichting hierop in de beleidsnota:

 

“In kleur hebben wij op deze kaart de fasering van de ontwikkeling aangegeven. Getracht is zodanige fasering te kiezen, dat bij stagnatie van de ontwikkeling toch een afgerond geheel kan worden verkregen. Zo is in de eerste fase gedacht aan uitbreiding van woongebieden als Goese Polder, Valckeslot II en Noordhoek I bij Goes...” (Beleidsnota Ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en openbare werken, p.8)

 

De Goese Polder zou plaats moeten gaan bieden aan 2570 woningen en zou vanwege de verwachte snelle bevolkingsgroei in hoog tempo ontwikkeld worden. De gedachte ontwikkelingstijd was vier tot vijf jaar (Heegers, 1997).  In de toelichting op het bestemmingsplan Goese Polder (1e gedeelte) van het architectenbureau van Rothuizen & ‘t Hooft n.v. staat dat het bestemmingsplan “deel uitmaakt van een groot plan voor de gehele Goese Polder” en dat dit totaalplan al in ontwerp klaar was. Gebasseerd op de dagtekening van de bestemmingsplankaart (figuur 4) was het totaalplan waarschijnlijk al in februari 1968 gereed, maar in ieder geval in maart 1969.  In diezelfde toelichting wordt beschreven hoe de opzet van de wijk moest worden en wat voor type bebouwing er moest worden gerealiseerd:

 

“Het bestemmingsplan Goese Polder (1e gedeelte) is in hoofdzaak een plan voor de bouw van woningen. Dit blijkt wel uit het feit dat 63% van de nuttige oppervlakte bestemd is voor woningbouw. De woningbouw in het plan zal zich beperken tot stroken- en blokkenbouw. Verwacht mag worden dat het merendeel van de woningen zal worden gerealiseerd in de woningwet- en premiesector.” (Bestemmingsplan Goese Polder)

 

Het ontwerp van Van Rothuizen & ‘t Hooft is kenmerkend voor de nederlandse stedebouw uit de periode 1950-1970.

 

“In dit plan zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten en principes verwerkt zoals die golden in de jaren zestig. Dit gedeelte [Goese Polder I] heeft een monotoon en steriel karakter, maar is relatief duidelijk van opzet.” (Heegers, 1997, p.14)

 

Het ontwerp was opgebouwd uit zich herhalende ensembles van strookbebouwing. Dit wordt ook wel aangeduid als stempelstedebouw. In het plan zijn een zestal stempels gebruikt die elk een aantal keer worden herhaald. De wijk wordt ontsloten door een dubbele lus van wijkontsluitingswegen waaromheen de stempels zijn gesitueerd en die op twee plaatsen aansluit op de ringweg van Goes. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangegeven dat de woningen zouden worden gebouwd in de woningwet- en premiesector. Woningen in de duurdere sector waren reeds gepland voor een andere uitbreiding van Goes, namelijk Valckeslot II. Opvallend is dat er in het plan alleen plaats is gemaakt voor laag- en hoogbouw en niet ook voor middelhoogbouw. De reden hiervoor is echter dat er in Goes al veel middelhoogbouwflats stonden, in totaal 732 woningen, en dat de gemeente liever hoogbouwflats wilde, omdat dat type bebouwing betere voorzieningen had, zoals liften. Liften waren namelijk niet wettelijk verplicht bij bebouwing van minder dan vijf verdiepingen.   De hoogbouw was in de plannen van Van Rothuizen & ‘t Hooft gepland in het centrum van de wijk en aan de noordwestrand in de vorm van een tiental flats, waaronder één sterflat. De rest van de wijk bestond dus uit laagbouw. Vanwege “planologische en estetische” redenen zijn er vier types ééngezinswoningen onderscheiden in het plan van Van Rothuizen & ‘t Hooft, die eigenlijk alleen van elkaar verschillen in breedte en hoogte. Kenmerkend ook voor de jaren zestig zijn de garageboxen die tussen de rijtjeswoningen zijn gepland. In het zuidwesten van de wijk was horeca en kantoorbebouwing getekend, en op vier plekken waren zones aangewezen voor “bijzondere doeleinden”, zoals scholen en kerken. Tot slot was in het centrum van de wijk een winkelcentrum gedacht. Het ontwerp voldeed daarmee in veel facetten aan het concept van de wijkgedachte.

 

Het bestemmingsplan werd in 1969 vastgesteld en meteen werd begonnen met het bouwklaar maken van de grond voor de gehele Goese Polder. De riolering en infrastructuur werden ook meteen aangelegd. De hele wijk zou echter niet in één keer worden gebouwd maar in twee delen.  Het eerste gedeelte, Goese Polder I, lag binnen de eerste ontsluitingslus en werd voor een groot gedeelte al in 1969 voltooid (zie kaart 1). De rest van Goese Polder I, op een klein gedeelte in het zuidoosten na, werd voltooid in 1974 met wat wijzigingen ten opzichte van het bestemingsplan Van Rothuizen & ‘t Hooft. De gebieden die namelijk waren gedacht als kantoren- en horecalocaties werden vervangen door meer woningbouw. De kantoorlocaties werden uiteindelijk nog wel gerealiseerd, maar net buiten de wijk.

 

Paradigmaverschuiving

Bij de ontwikkeling van de Goese Polder II besloot de gemeente helemaal af te wijken van het ontwerp van Van Rothuizen & ‘t Hooft. De reden hiervoor is niet met zekerheid vastgesteld, maar het is aannemelijk dat de veranderingen in het denken over stedebouw, die optraden eind jaren zestig en begin jaren zeventig, hier een belangrijke rol in hebben gespeeld. Hans Ibelings (1999) schrijft over de stedebouw van de jaren zeventig:

 

“Kleinschaligheid en herbergzaamheid werden nieuwe trefwoorden in de stedenbouw. Er ontstond een negatieve houding ten aanzien van de stad, die steeds vaker werd gezien als onleefbare betonwoestijn en asfaltjungle. Het ideaal van deze tijd was dorps en landelijk. De populariteit van het woonerf en de nieuwe rage van de woonboerderij op het platteland kunnen worden beschouwd als uitingen van antistedelijke mentaliteit.

 

[...] hoogbouw raakte volledig uit de gratie.

 

[...] waar het kon werd de auto zoveel mogelijk geweerd of uitgebannen.”

(Ibelings, 1999, p.124)

 

Marrit van Zandbergen (2006) beschrijft dat de stedebouw zich in de jaren zeventig afkeerde van de stedebouw in het decennium ervoor. Ook zij schetst een beeld van een tegenreactie op het grootschalige en monotone karakter van de jaren zestig wijken en dat men terugkeerde naar “een stedenbouw met een menselijk karakter”. Van Zandbergen legt echter uit dat men niet teruggreep op de stedebouw van voor de oorlog, maar dat er werd gezocht naar nieuwe vormen:

 

“Het experimenteren met nieuwe woonvormen werd vanaf 1968 gesubsidieerd door de overheid. Minister W.F. Schut nam hiertoe het initiatief door nieuwe woonvormen in aanmerking te laten komen voor subsidies. Er ontstonden opvallende woonvormen zoals Kasbah in Hengelo (P. Blom, 1967-1974). In het ontwerpproces speelde het sociale en menselijke aspect een steeds grotere rol. Architecten poogden ontmoetingen en communicatie tussen bewoners te bewerkstelligen door in hun ontwerpen de gelegenheid hiervoor te geven.”  (Van Zandbergen, 2006, p.6)

 

De nadruk op het sociale en menselijke aspect zou leidden tot de ontwikkeling van het woonerf en daarmee ook tot de ontwikkeling van de stede in de Goese Polder. Volgens van Zanbergen leidden alle experimenten in deze periode echter niet tot één stroming. Hierdoor verschillen de jaren zeventig wijken in stedebouwkundig opzicht onderling veel van elkaar.

 

 

De Goese Polder II voldoet aan de beschrijving die Ibelings en Van Zandbergen geven. Dit blijkt onder andere uit de uitgangspunten die de “Commissie Ontwikkeling Goes” voorstelde in 1970 in de nota “Realisatie Goese Polder II”. L. H. de Leeuw, wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling, Volkshuisvesting en Openbare Werken ten tijde van de ontwikkeling van de Goese Polder, haalt in zijn memoires een aantal van deze uitgangspunten aan, en schrijft bijvoorbeeld over de gewenste verkeerssituatie: “Voorts diende een zo groot mogelijke scheiding tussen verkeerssoorten te worden nagestreefd [...]”, en over de estetische kwaliteiten van de bebouwing: “De groepering van de woningen moet overzienbaar zijn met een eigen identiteit [...]”. Later in dit essay zal blijken dat de Goese Polder II en de stedetypologie ook in andere aspecten passen binnen het tijdsbeeld van de stedebouw van de jaren zeventig.

 

De ontwikkelingsgeschiedenis van Goese Polder II en de stedetypologie

Bij de start van de ontwikkeling van de Goese Polder II werd besloten een speciaal ontwikkelingsteam op te richten dat het ontwikkelingsproces uiteindelijk van 1972 tot 1985 zou begeleiden. L.H. de Leeuw geeft de samenstelling van dit team:

 

“Het ontwikkelingsteam stond onder voorzitterschap van de wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling, Volkshuisvesting en Openbare Werken. Verder hadden naast de gemeentelijke diensten voor planontwikkeling zitting Prof. P.K. Pennink als supervisor, de Amsterdamse architect Ir. Van Meer namens de Ontwikkelingsmij. Combinatiebouw Amsterdam (CBA), het architectenbureau Rothuzien & ‘t Hooft, het Makelaarskantoor Hopman uit Rijswijk, speciaal aangetrokken als adviseur richting beleggers voor te ontwikkelen woningen in de premiehuursector en de directeur van de Woningstichting in Goes, thans bekend als de Regionale Woningbouwvereniging Samenwerking (RWS).”  (De Leeuw)

 

Er werd door het ontwikkelingsteam geen gebruik gemaakt van een gedetailleerd bestemmingsplan zoals bij de Goese Polder I was gedaan, maar van een globaal bestemmingsplan met detailuitwerkingen. Dit kwam waarschijnlijk voort uit de eerder genoemde nota “Realisatie Goese Polder II”, waarin werd voorgesteld om het totaalplan op te delen in deelplannen van circa 300 woningen (L.H. de Leeuw). Deze deelplannen zouden echter wel worden uitgewerkt met één ruimtelijk concept: “continue bebouwing die grote en kleine ruimten ontsluit” (Keesmaat in: Heegers, 1997, p.14). Dit ruimtelijke concept ligt aan de basis van de stedetypologie. Heegers definieert dit concept nog verder:

 

“De karakteristiek van het stedenbouwkundig plan werd gekenmerkt door ‘de sfeer van direct wonen’. Onder ‘de sfeer van direct wonen’ wordt verstaan dat men aan de voorzijde zowel als aan de achterzijde van de woning een openbare ruimte creëert waardoor de bouwmassa naar twee kanten ‘werkt’. Dat wil zeggen dat de woning zich duidelijk naar twee kanten manifesteert, waardoor een interessant en functioneel ander gebruik van beide ruimten kan ontstaan (definitie van toenmalige ontwerper van de Goese Polder, geciteerd door A. Houwing).” (Heegers, 1997, p.14)

 

Goese Polder II werd voor een groot deel volgens dit ruimtelijke concept gerealiseerd en op 14 februari 1972 werd begonnen met de bouw van de Schumannstede; het eerste deelplan. De totale ontwikkeling van de deelwijk zou echter veel langer duren dan was gedacht: vijftien jaar in plaats van de verwachte twee jaar.  Dit zorgde ervoor dat de stedetypologie aan het einde van de ontwikkelingsperiode niet meer zo werd toegepast als daarvoor, mogelijk omdat men toen in de praktijk zag dat de typologie niet zo werkte als was gedacht. De Leeuw geeft een viertal redenen waarom de ontwikkeling zoveel langer duurde dan verwacht. Ten eerste bleef de voorspelde sterke bevolkingsgroei uit, wat ervoor zorgde dat de bouwproductie al in 1974 werd geremd. Ten tweede kreeg de gemeente Goes veel minder woningtoewijzingen van het rijk dan dat er nodig waren voor de geplande snelle realisatie. Ten derde bleek er minder behoefte te zijn aan woningwet- en premiehuurwoningen waarin voornamelijk was voorzien in het plan, en was er juist een grote behoefte aan grond voor koopwoningen. Hierdoor werden de plannen aangepast zodat er een grotere differentiatie ontstond door menging van huur- en koopwoningen. Men ging hierin zelfs zo ver dat de al aangelegde infrastructuur op sommige plaatsen werd aangepast. Tot slot was er concurrentie met de buurgemeenten, die ervoor zorgden dat er minder mensen in Goes kwamen wonen. Het laatste deelplan van Goese Polder II zou uiteindelijk pas in 1987 worden voltooid.

 

De stedetypologie nader bekeken

Zoals eerder is gesteld heeft de uitwerking van de deelplannen van Goese Polder II aan de hand van het eerder genoemde overkoepelende ruimtelijk concept, geleid tot de ontwikkeling  van de stedetypologie. Welgeteld kent de wijk vijf stedes die voldoen aan de typologie. Deze staan aangeven op kaart 2. De benaming van de typologie komt van de straatnamen die deze plannen hebben gekregen: allen beginnen met de naam van een befaamd internationaal politicus en worden afgesloten met “stede”. Twee stedes zijn bijvoorbeeld  de Rooseveltstede en de Adernauerstede.

 

De stedetypologie wordt gekenmerkt door rijen van laagbouw, in bijna alle gevallen ééngezins-woningen, die rondom centraal gelegen groenruimtes zijn gepositioneerd. In de paragraaf hiervoor werd al duidelijk dat aan beide kanten van deze rijbebouwing openbare ruimtes werden gemaakt; “de sfeer van direct wonen”. Meestal bevindt zich aan de ene kant de centrale groenruimte en aan de andere kant de openbare weg of een woonerf of -straat. Bijzonder hierbij is dat verschillende woonblokken die aan dezelfde groenruimte of straat zijn gelegen hier met de voor- en achterkant precies omgekeerd aan kunnen grenzen. Op de kaart op de volgende pagina is te zien hoe in de Adernauerstede soms de voorkant en soms de achterkant uitkijkt op het groen. De vage scheiding tussen voor- en achterkant van de woningen wordt in veel stedes nog eens versterkt doordat de schuurtjes van de woningen soms aan de voorkant en soms aan de achterkant staan. In bepaalde stedes kan dit zelfs in één bouwblok verschillen! Dit is ook  linksboven te zien op de kaart op de voglende pagina. Het idee dat de ontwerpers hadden bij deze diffuse scheiding tussen voor- en achterzijde was dat de centrale groenruimtes als het ware een verlenging zouden worden van de tuinen van de huizen eromheen en dat de openbare ruimte daardoor op een intensievere manier zou worden gebruikt.

 

Het meerendeel van de woningen in de Goese Polder II die gebouwd zijn in de periode 1972 - 1982 zijn ontworpen door het architectenbureau H. van Meer. Deze woningen bezitten een grote onderlinge verwantschap. Aangezien alle stedes uit deze periode stammen, vertoont niet alleen de vorm, maar ook de architectuur in de stedes grote overeenkomsten en bepalen ze heel sterk de identiteit van de Goese Polder II. Toch zijn de woningen per stede verschillend genoeg om elk zijn eigen identiteit te geven, waarbij de verschillende vormen van de stedes dit effect nog eens versterken.

 

De ontsluiting van de stedes vindt plaats via een netwerk van ontsluitingslussen. Hierbij zijn een wijkontsluitingslus en twee buurtontsluitingslussen te onderscheiden, waartussen het grootste deel van de stedes ligt (zie kaart 3). Stedes die niet aan deze lussen liggen worden ontsloten door kleinere ontsluitingsstraten. Parkeren vindt plaats aan de rand van de stedes bij de ontsluitingswegen op parkeerterreinen.  De stedes bestaan van binnen uit woonerven, dus alle woningen zijn in principe met de auto te bereiken. Het ontwerp van het interieur van de stedes ontmoedigt dit echter, en de stedes zijn dan ook voornamelijk bedoeld als domein van de fietser en voetganger en spelende kinderen.

 

Zoals in de inleiding werd gesteld, zouden de uitwerkingen van de deelplannen van Goese Polder II in de vorm van stedes kunnen worden aangeduid als antiautoritair. Met name het onduidelijke onderscheid tussen de voor- en achterkanten van woningen en de diffuse grens tussen openbaar en privé laat het in principe aan de bewoners over hoe de ruimte te gebruiken. Dit zorgt ervoor dat de plannen als antiautoriar benoemd kunnen worden. De stede past daarmee goed in het tijdsbeeld van de stedebouw van de jaren zeventig, waarin werd geëxperimenteerd met kleinschalige woonvormen, en kan worden gezien als tegenreactie op de modernistische stedebouw uit de jaren ‘60. De typologie komt dan ook volledig overeen met het beeld dat is gegeven in tabel 1. Wat opmerkelijk is, is dat Goese Polder II daarmee ook een tegenreactie is op Goese Polder I, dat nota bene enkele jaren daarvoor was gerealiseerd en voor een deel door dezelfde ontwerpers.

 

Problemen met de stedes

Het staat inmiddels vast dat de stedetypologie kan worden gezien als een voorbeeld van de experimentele stedebouw uit de jaren zeventig. Zoals men zou kunnen verwachten bij experimenten kan de praktijk  anders blijken dan de theorie. Zo ook met de stedetypologie. Al vrij snel na de realisatie van de stede begonnen er zich problemen voor te doen. De Leeuw beschrijft één van deze problemen onder het kopje “verwachtingen die niet uitkwamen”:

 

“Na enkele jaren zou echter blijken dat de grote groenvlakken tussen de woonblokken niet benut werden gelet op de verwachtingen van de ontwerpers. In plaats van het verwachte genotvolle uitzicht voor de bewoners op deze aangelegde groene ruimten ‘metselden’ de meeste nieuwe bewoners hun achtererven dicht met veelal afschuwelijke schotten, daarbij meer waarde hectend aan de eigen privacy dan aan een groen uitzicht. Daardoor werden de positieve groenvlakken ‘dode’ stukken groen tussen genoemde woningclusters, ruimte biedend voor datgene waarvoor zij niet waren bedoeld.” (De Leeuw)

 

Heegers onderschrijft het bovenstaande probleem en gaat er verder op in door aan te geven dat in veel gevallen moest worden geparkeerd aan de achterzijde van de woning, wat betekende dat veel mensen ook via deze kant de woning betraden met als gevolg dat de privacy nog verder werd beperkt. Volgens Heegers heeft “de sfeer van direct wonen” inderdaad gezorgd voor een ander gebruik van de woning en de openbare ruimte, zoals de ontwerpers hadden gedacht, maar heeft dit niet gezorgd voor een “prettige sfeer in de woonomgeving” zoals de bedoeling was. Bovendien zorgde het onduidelijke verschil tussen voor- en achterkant volgens hem voor nog meer problemen:

 

“De achterzijde van de woningen hebben geen echte entree [...], waardoor de herkenbaarheid en vindbaarheid voor vreemden/bezoekers sterk wordt bemoeilijkt. De eigenlijke voorzijde van de woningen ligt aan smalle paden (alleen trottoirs) waar weinig activiteit is. Soms zijn die woonstraten nog extra smal doordat (een deel van) de bergingen in de paden ligt. (Heegers, 1997, p.33)

 

De herkenbaarheid en vindbaarheid werden nog slechter door de eerder genoemde wisselende oriëntatie van de woonblokken binnen één straat of stede. Daarbij kwam ook nog eens dat de gemeente een nieuw huisnummeringssysteem invoerde dat dit probleem alleen nog maar groter maakte:

 

“Bij de start van de woningbouw in Goese Polder II ontstond een discussie met de PTT over een ‘verplichte’invoering van een nieuw 4-cijferig huisnummersysteem waarbij de nummering bovendien ‘op de looproute’ van de postbeambte diende te worden afgestemd. Het enige wat de gemeente voor elkaar kreeg was het aanbrengen van een streepje in het huisnummer, dus in plaats van 4167 mocht het wijknummer 44 en huisnummer 67 gescheiden worden in 44-67.

 

Verdrietige ervaring was dat dit systeem snel leidde tot onvindbare huisnummers. Het meest komisch daarbij bleek dat na korte tijd in dienst tredende nieuwe postbeambten grote moeite hadden de ‘logische keuze’ van hun voorgangers te volgen.” (De Leeuw)

 

Tot slot kaart Heegers naast deze problemen ook een ander probleem aan, namelijk dat van ongewenst parkeren binnen in de stedes. Sommige bewoners parkeerden hun auto’s namelijk op “de erven voor hun woning” en niet op de parkeerterreinen aan de rand van de stedes, mogelijk omdat deze soms te ver van de woningen lagen. Hierdoor ontstond soms irritatie bij andere buurtbewoners.

 

Uit al deze problemen kan worden afgeleid dat de stedes nooit zo hebben gefunctioneerd als de ontwerpers hadden gedacht (of gehoopt). Het grootste probleem dat de ontwerpers de privacy-gevoelens van de toekomstige bewoners onderschatten of dachten te kunnen veranderen. Dat laatste is iets wat mijns inziens nauwelijks mogelijk is. Ook Heegers (1997) onderschrijft dit en geeft aan dat het stedenbouwkundige uitgangspunt van ‘direct wonen’ niet aansloot op de leefgewoonten van dat moment. Volgens mij kan het concept van de stede zoals deze is gerealiseerd in Goese Polder II worden bestempeld als een mislukking.

 

Men heeft geprobeerd veel van de genoemde problemen en ook andere op te lossen door het in de inleiding genoemde masterplan. De ingrepen die hiervoor zijn gedaan zullen hier echter niet worden behandeld.

 

Conclusie

De stedetypologie in de Goese Polder II is een typisch voorbeeld van de experimentele nederlandse stedebouw uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Daarmee kan het worden gezien als een tegenreactie op de stedebouw uit de jaren zestig. Dit ligt echter niet voor de hand, aangezien het ontwerpteam, dat voor een groot  deel uit dezelfde ontwerpers bestond, een paar jaar eerder nog Goese Polder I had ontworpen aan de hand van de in de jaren zestig heersende stedebouwkundige principes. Het lijkt er dan ook op dat de ontwerpers meegingen in de veranderende inzichten binnen het vakgebied van de stedebouw, en dat de Goese Polder II geen revolutionaire ontwikkeling was, maar een van evolutionaire aard ten opzichte van wat ervoor kwam. Daarmee is het dan ook zeker geen gefrustreerde reactie van de ontwerpers, zoals werd afgevraagd in de inleiding.

 

De vraag of het concept van de stede en “de sfeer van direct wonen”  inherent slecht is, is wat lastiger te beantwoorden. Wat in ieder geval met zekerheid kan worden vastgesteld is dat de ontwerpers naïef zijn omgegaan met de privacygevoelens van de bewoners, of deze hebben onderschat, en dat de uitwerking op bepaalde punten, zoals de plaatsing van de schuurtjes, nogal klungelig is geweest. Daartegenover staat dat de stedes zeker wel de potentie hebben om een zeer aangename woonomgeving te creëren met een wat aangepast ontwerp. Een inherent slecht concept zou ik het dan ook niet willen noemen, het is hier alleen uitgevoerd met wat fouten.