Descubre Manzanares secretos de los que en él se bañan

Manzanares ontdekt geheimen van hen die zich in hem baden

Manzanares, Manzanares,

arroyo aprendiz de río,

platicante de Jarama,

buena pesca de maridos;

 

tú que gozas, tú que ves,

en verano y en estío,

las viejas en cueros muertos,

las mozas en cueros vivos;

 

ansí derretidas canas

de las chollas de los riscos,

remozándose los puertos

den a tu flaqueza pistos,

 

pues conoces mi secreto,

que me digas, como amigo,

qué género de sirenas

corta tus lazos de vidro.

 

Muy hético de corriente,

muy angosto y muy roído,

con dos charcos por muletas,

en pie se levantó y dijo:

 

«Tiéneme del sol la llama

tan chupado y tan sorbido,

que se me mueren de sed

las ranas y los mosquitos.

 

Yo soy el río avariento

que en estos infiernos frito,

una gota de agua sola

para mojarme pido.

 

[...]

 

Francisco de Quevedo

 

Manzanares, Manzanares,

leerling beekje van de rivier,

die praat over Jarama,

goede vangst voor echtgenoten;

 

jij die met volle teugen geniet, jij die ziet,

in zomer en hoogzomer,

de oude vrouwen in dode huiden,

de jonge meiden in levende huiden;

 

aldus geven de gesmolten witte haren

op de hoofden van de steile rotsen,

terwijl de bergpassen zich verjongen

bouillon aan je zwaktes,

 

want jij kent mijn geheim,

dat je mij zegge, als vriend,

welk geslacht van sirenes

jouw ketenen van glas verbreekt.

 

Zeer ethisch van stroming,

zeer nauw en zeer verwaarloosbaar,

met twee plassen als krukken,

stond hij te voet op en zei:

 

De vlam van de zon heeft mij

zo gelikt en zo opgezogen

dat ze sterven van de dorst

mijn kikkers en mijn muggen.

 

Ik ben de hebzuchtige rivier

die in deze hel is gebakken,

slechts één druppel water

vraag ik om mij te bevochtigen.

 

 

 

Eigen vertaling

 

Alke van den Berg

Bibliografie

 

ARELLANO, I. (1998) Poesía satírico burlesca de Quevedo. Pamplona: Eunsa.

 

AYUNTAMIENTO DE MADRID (2006) Ordenanza de Gestión y Uso Eficiente del Agua en la Ciudad de Madrid 146. 73-103.

 

CORBELLA, H.G. (2010) Urban water management and market environmentalism: a historical perspective for Barcelona and Madrid. Barcelona: Universitat Autònoma de Barcelona.

 

DE BUSTAMANTE, I. & J. SANZ (2003) Some examples of spanish qanats. Communicatie voor symposium “Water supply by Qanats. Qanats as model for the methods of tunnel construction”. Luxemburg: Frontinus. 173-186.

 

DOMÍNGUEZ BAUTISTA, R. (1998) Las aguas subterráneas y el abastecimiento de Madrid. Madrid: Canal de Isabel II.

 

GATTI, A. (2007) Satire of the Spanish Golden Age. In: Quintero, R. (ed.) A companion  to satire. Oxford: Blackwell.  86-100.

 

LLAMAS, M.R. (1983) The influence of the failure of groundwater supply to Madrid in the national water policy of Spain. Communicatie voor symposium “International Symposium on Groundwater in Water Resources Planning”. Koblenz: Unesco. 421-427.

 

NEUMAN, M. (2010) The imaginative institution: planning and governance in Madrid. Farnham, England: Ashgate.

 

Sánchez López, A. (2005) La génesis de las circunvalaciones de Madrid (de las cercas medievales a las autopistas orbitales). Carreteras: Revista técnica de la Asociación Española de la Carretera,2005, 141. 60-69.

 

Val Melús, del, M.A. & Rocci, S. (2005) El proyecto del nuevo M-30. Revista de Obras Públicas: Organo profesional de los ingenieros de caminos, canales y puertos, 2005, 3454, 27-46.

De historische context van Madrid Rio

Een gedegen analyse van een project zo groot als Madrid Río is onmogelijk zonder ook naar de historische en huidige context te kijken. Daarom zal in dit eerste hoofdstuk worden gekeken naar de veranderende  relatie die rivier en stad hebben en hebben gehad, en daarmee ook naar de watervoorziening van de stad. Uiteraard zal ook aandacht worden besteed aan de M30, die aan de basis van het Madrid Río project heeft gelegen.

 

Een korte geschiedenis van Madrid, de Manzanares en de watervoorziening

Er doen verschillende verhalen de ronde over de stichting van Madrid. De één geloofwaardiger dan de andere, maar de meest waarschijnlijke laat zien dat Madrid al vanaf het begin van haar bestaan een band heeft met de Manzanares (De Bustamante et al, 2003). Volgens deze theorie zou Madrid in ieder geval in de 7e eeuw als visigootse nederzetting hebben bestaan onder de naam “Matrice”. De Manzanares stond in die tijd onder dezelfde naam bekend en diende hoofdzakelijk als waterbron. In de tweede helft van de 9e eeuw, toen de Moren het Arabisch schiereiland hadden bezet, stichtte Muhammad Ibn al Rahman een fort nabij de Manzanares op de huidige locatie van het Palacio Real. Dit fort had het doel om de route die langs de rivier naar Toledo liep te beschermen tegen oprukkende vijanden vanuit het noorden. Nabij deze fortificatie groeide snel een nederzetting. Het is ons niet duidelijk of dit uit de resten van Matrice was of een geheel nieuwe nederzetting. Het kreeg hoe dan ook de naam Mayrit (later door de Christenen verbogen tot Magerit), wat vrij vertaald “waterrijke grond” betekende.

 

Volgens De Bustamante et al groeide Mayrit zo sterk dat de Matrice al snel niet meer voldoende water kon leveren aan de  12.000 inwoners van de nederzetting. De moren legden daarom zogenaamde qanats aan. Een watervoorzieningssysteem dat zijn oorsprong kent in het Midden-Oosten en door middel van ondergrondse kanalen water verzamelde in de bergen nabij Mayrit en vervoerde naar de nederzetting (zie afbeelding 1.1 en 1.2). Binnen Mayrit stroomde het water via een vergelijkbaar netwerk naar openbare fonteinen waar de bevolking gemakkelijk toegang had tot het water. De qanats staan in Spanje bekend als “viajes de agua”, wat vrij vertaald waterwegen betekent. De viajes hebben eeuwenlang als belangrijkste waterbron gediend voor de stad Madrid. Het systeem is door de eeuwen heen echter wel uitgebreid. Met name nadat de christenen Spanje weer hadden heroverd en het Spaanse hof naar de stad werd verplaatst in de 15e eeuw. Toen maakte de bevolking van Madrid namelijk een enorme groei door.

 

“In 1848  telde Madrid zo’n 200.000 inwoners , en haar watervoorziening steunde op aquifers,  die aan de oppervlakte kwamen via natuurlijke bronnen, waterwielen, maar voornamelijk op de eerder genoemde viajes. Oppervlaktewater van de Manzanares werd ook gebruikt, maar hoofdzakelijk voor het bewateren van boomgaarden en groentetuinen aan de rivier,  en in mindere mate voor vee, het wassen van mens en dier, het afvoeren van fecaliën, en het wassen van leer en kleding.” (Corbella, 2010, p. 448-449)

 

Zagen de Madrilenen in het verleden de Manzanares dan alleen maar als tweederangs waterbron? Nee, zeker niet. Dit blijkt uit een aantal werken van Francisco de Goya. Deze schilder maakte in de 18e eeuw verschillende schilderijen van de Manzanares, waarin traditioneel geklede Madrilenen picknicken en dansen nabij de rivier. Maar niet alleen uit schilderijen blijkt dat de Manzanares ook als ontspanningslocatie diende. De rivier is namelijk ook voor de andere kunsten een inspiratiebron geweest. Tijdens de Gouden Eeuw (17 eeuw) was de lage waterstand van de Manzanares een vaak terugkerend thema in de burleske literatuur van Spanje, getuige het fragment uit een gedicht van Francisco de Quevedohiernaast weergegeven. In dit fragment noemt Quevedo de Manzanares een leerling beekje - niet eens een gewone beek, laat staan een rivier - die vaak zo droog staat dat de dieren die leven in de rivier erdoor omkomen, en die smeekt om een druppel water. Wat echter interessanter is aan dit fragment, is dat hij het beschrijft als een goede plek voor (getrouwde) mannen om vreemd te gaan: [...] buena pesca de maridos, mogelijk omdat jonge meiden er naakt zwemmen: [...] las mozas en cueros vivos (Arellano, 1998). In een ander gedicht van Quevedo, getiteld Describe al río Manzanares, cuando concurren en él en el verano a bañarse en él, worden verschillende badende mensen in de rivier op humoristische en grotesque wijze beschreven:

 

“Een oude minnares ontkleed zichzelf ‘ab initio’, gelovend dat de Manzanares als de Jordaan zal zijn voor haar ‘eeuwen’...; een advocaat die zijn ongelofelijk lange baard instopt om er geen afval mee op te vangen...; oude vrouwen, lelijke vrouwen, schurftige studenten, moorddadige dokters, en meer.” (Gatti, 2007, p. 96)

 

Hieruit blijkt dat alle Madrilenen naar de rivier kwamen om er in te zwemmen, en niet alleen de gegoeden, wat mogelijkerwijs zou kunnen worden gedacht afgaande op de schilderijen van Goya. De Manzanares werd dus door alle Madrilenen gebruikt op zowel op functionele als recreatieve wijze. Bovendien werd de rivier vaak belachelijk gemaakt, omdat ze als rivier eigenlijk niet veel voorstelde. Iets dat vandaag de dag nog steeds wordt gedaan, wat ook tijdens onze studiereis bleek (het schofferen door zekere personen van de Manzanares door een afkeurende vergelijking met andere rivieren in grote steden.)

 

Volgens Corbella werd al in 1828 de studie “Observaciones sobre el abastecimiento de aguas de Madrid  y el modo para aumentarlas” [Observaties van de watervoorziening van Madrid en hoe die te vergroten] gepubliceerd. Hierin werd gesteld dat de watervoorziening van Madrid door grondwater niet langer afdoende zou zijn. Vanaf de 18e eeuw waren er al verschillende plannen geopperd om water te onttrekken uit de rivieren rond Madrid, maar deze private projecten kwamen decennia lang niet tot uitvoering. Toen de situatie halverwege de 19e eeuw zo nijpend was geworden, besloot de Spaanse regering in 1851 tot de oprichting van een staatswaterbedrijf: het Canal de Isabel II (CYII), genoemd naar de toenmalige koningin. De taak van dit bedrijf was het beheren en exploiteren van het water dat vanuit de Lozoya rivier naar Madrid zou komen, de Manzanares werd ongeschikt gevonden vanwege haar sterk fluctuerende waterpeil. Voor het watertransport werd, na wat problemen met de financiering, met de aanleg van een 70 kilometer lang kanaal begonnen op 11 augustus 1851. Het eerste drinkwater vanuit de Lozoya stroomde uiteindelijk op 24 juni 1858 via het Canal de Isabel II Madrid binnen.

 

Het waterbedrijf Canal Isabel II verzorgt vandaag de dag nog  steeds de watervoorziening van Madrid en doet dit voor een groot deel met oppervlakte water. Volgens Llamas zou het waterbedrijf in 1983 Madrid voor 95% hebben voorzien in haar waterbehoefte met oppervlaktewater. Dit was dus een totale omkering van de situatie in de eeuwen ervoor, waarin nauwelijks gebruik werd gemaakt van oppervlaktewater als drinkbron. Ramón Llamas voorspelde echter dat deze situatie weer snel zou veranderen:

 

“Het is echter zeer waarschijnlijk dat de situatie dramatisch zal veranderen in de komende jaren door de nieuwe gedecentraliseerde overheid en onder invloed van de grote vooruitgang de afgelopen jaren in de hydrogeologie, zowel op internationale als nationale schaal.” (Ramón Llamas, 2010, p. 427)

 

De voorspelde verandering kwam er inderdaad. Volgens de publicatie van toenmalige directeur van Canal de Isabel II, Ricardo Domínguez Bautista (1998), kon Madrid in 1997 voor 20% voorzien in haar waterbehoefte met grondwater. Dit werd echter niet gedaan omdat het een bijzonder nat jaar was en de rivieren meer dan genoeg water konden leveren aan de stad. Uit cijfers die Domínguez Bautista geeft over 1997, blijkt dat dat jaar 1,2hm3 grondwater werd gebruikt. Dit zou betekenen dat dit nog geen 0,25% van het totale watergebruik was. Dat was namelijk 492hm3. De ondergrondse aquifers worden tegenwoordig dan ook gebruikt als back up, wanneer de stuwmeren in de rivieren te weinig water kunnen leveren (Domínguez Bautista). In de natte jaren wordt er minder gebruik van gemaakt, zodat de aquifers zich weer kunnen aanvullen.

 

Wetgeving rondom parken en het watergebruik

Het gebruik van het oppervlakte water als hoofdwaterbron voor de stad en het droge klimaat heeft gevolgen gehad voor de regelgeving omtrent water in de stad. Deze regelgeving heeft vorm gekregen in de Ordenanza de Gestión y Uso Eficiente del Agua en la Ciudad de Madrid [Verordening van het efficiënt beheer en gebruik van water in de stad Madrid]. In deze verordening van de gemeente Madrid komen parken specifiek aan bod.

 

Artikel 16 van de verordening stelt dat parken alleen gebruik mogen maken van regenwater of gerecycled water voor irrigatie. Dit betekent dus dat er geen water uit de rivieren mag worden onttrokken om parken te bewateren. Ook stelt de verordening verschillende eisen aan het ontwerp van nieuwe parken of parken die worden geherstructureerd.  Zo stelt artikel 19 dat waterbehoevende beplanting moet worden geconcentreerd, zodat slechts bepaalde delen van een park hoeven te worden besproeit. Bovendien mogen parken kleiner dan 10 hectare voor 20% van het totale oppervlak bestaan uit gazon, en parken groter dan 10 hectare mogen slechts voor 10% bestaan uit gazon. Daarbij komt nog eens dat als er gazons worden ontworpen deze in stroken van in ieder geval 3 meter breed moeten worden gemaakt.

 

Artikel 18 stelt eisen aan de keuze van de beplanting. In een park mogen alleen lokale plantensoorten worden toegepast, of allochtone plantensoorten die zijn aangepast aan het klimaat van Madrid, zodat ze relatief weinig water nodig hebben. Ten minste 80% van de beplanting moet aan deze regel voldoen. Bodembedekkende plantensoorten worden specifiek genoemd, en ook daarvan mogen alleen soorten worden gebruikt die weinig water nodig hebben.

 

Verder stelt de verordening eisen aan het bewateringssysteem. In artikel 20 worden allerlei technische eisen gesteld die het efficiënt gebruik van water verzekeren en in artikel 21 worden beperkingen opgelegd voor het totale watergebruik per eenheid oppervlak. Zo mag er dagelijks per vierkante meter park maximaal 1,8 liter worden bewaterd, en mag er jaarlijks per hectare 2500 m3 water worden verbruikt. Het volgende artikel geeft ook nog beperkingen voor de uren waarop mag worden bewaterd in de heetste periode, van juni tot en met september. Tussen tien uur ‘s ochtends en acht uur ‘s avonds mag er geen water worden gegeven. Het laatste artikel, nummer 24, dat van belang is voor parken zegt dat de gemeente in tijden van grote droogte beperkingen mag opleggen aan de irrigatie van parken.

 

Een korte geschiedenis van de M-30 en zijn invloed

Zoals in de inleiding al werd vermeld is Calle 30 de binnenste rondweg van Madrid, en heeft hij de officiële aanuiding M-30. In deze aanduiding geeft de “M” aan dat het om een weg gaat die in het beheer is van de Communidad Madrid. Normaliter worden ringwegen in Spanje aangeduid met gehele tientallen, waarbij het tiental aangeeft om de hoeveelste ring het gaat. De M-30 zou dus de derde rondweg moeten zijn, en is dat in principe ook, alhoewel de M-10 en M-20 niet als zodanig bestaan. De twee historische rondwegen die de stad kent, zijn geen snelwegen en hebben daarom nooit een officiële aanduiding gekregen. Wel zijn er grotere rondwegen buiten de M-30 met een aanduiding, te weten de M-40 en M-50. De M-30 is de drukste snelweg van Spanje met op de meeste trajecten meer dan 100.000 voertuigen per dag. Bij Puente de Ventas rijden dagelijks zelfs meer dan 300.000 voertuigen. Daarmee is dat deel van de M-30 het drukste stuk snelweg van Europa.

 

Michael Neuman (2010) beschrijft hoe in de periode 1920-1941 Madrid een turbulente tijd kende wat betreft stedelijke planning. In die tijd werden er verschillende plannen geopperd over hoe de stad zich zou moeten ontwikkelen. De eerste plannen voor een aanleg van de rondweg, die uiteindelijk de M-30 zou worden, stammen al uit 1929. In dat jaar zond de spaanse architect Zuazo samen met de duiste architect Jansen een plan in voor de internationale wedstrijd die de gemeente Madrid had uitgeschreven om een antwoord te vinden op de sterke groei van de stad. Dat plan staat nu bekend als plan Zuazo-Jansen. Antonio Sánchez López (2005) beschrijft hoe zij  de eerste waren die een uitbreidingsplan maakten op metropolitane schaal en waar een rondweg, in een radiocentrisch model, de stad met haar te bouwen satellietsteden zou moeten gaan verbinden (zie afb. 1.6). Hoewel alle plannen die werden ingezonden voor de wedstrijd werden afgekeurd, heeft het plan Zuazo-Jansen toch veel invloed gehad op de ontwikkeling van Madrid, en de rondweg keerde in veel latere plannen terug. Het plan dat er uiteindelijk voor zou zorgen dat de M-30 er kwam, was het plan Bigador uit 1941, dat ook het radiocentrische model van Zuazo-Jansen overnam (zie afb. 1.7). Dit plan zorgde er tevens voor dat de M-40 zou worden aangelegd. Plan Bigador stelde hoe de twee rondwegen zouden moeten worden aangelegd:

 

“ Eén snelle verkeersring sluit aan op de zes toegangswegen [die Madrid met heel Spanje verbinden] en omsluit de oude stad. Deze ring loopt door de valleien van de rivier Manzanares  en van de beken Abroñigal en Los Pinos [...]

Het systeem wordt compleet gemaakt met een tweede rondweg tussen de satellietsteden.” Plan Bigador in: Sánchez López (2005).

 

Het is niet duidelijk geworden waarom de rondweg door het dal van de Manzanares moest worden aangelegd. Mogelijkerwijs werd dit voorgesteld zodat de weg dan zo dicht mogelijk langs de oude stad zou lopen. Er is hier echter geen definitief bewijs voor gevonden.

 

De uiteindelijke aanleg van de M-30 zou nog tot 1970 op zich laten wachten. In 1972 beschreef de Estudio de Planeomiento de Red Arterial (Sanchez López, 2005) de uitvoering van de rondweg als een weg met “de kenmerken van een snelweg”. Hiermee wordt bedoeld dat bijvoorbeeld de kruisingen ongelijkvloers werden uitgevoerd. In afbeelding 1.8 staat weergegeven hoe de M-30 er in 2005 uitzag: beide oevers  van de rivier werden het grootste deel van haar loop door de stad geflankeerd door de drukke M-30.

 

Del Val Menús & Rocci (2005) beschrijven dat, dankzij de goede bereikbaarheid waar de M-30 voor heeft gezorgd,  de wijken die aan de weg grenzen zich hebben kunnen ontwikkelen tot “peri-urbane” gebieden. Het zijn wijken geworden die een onderdeel zijn van de stad en waar kantoren, vrijetijdscentra en andere stedelijke voorzieningen tot ontwikkeling zijn gekomen, die het centrum ontlasten. Aan de andere kant geven ze ook de negatieve invloed van de weg aan:

 

   “Toen men de M-30 ontwierp heeft men niet de bescherming van de leefomgeving in beschouwing genomen. De M-30 heeft een aanzienlijke voetafdruk in het stedelijk weefsel, die ten koste gaat van de continuïteit van de wijken (barrièrewerking), en ook, in veel gevallen, van het karakteristieke [stedelijke] landschap, en zelfs van de levenskwaliteit van haar bewoners.” (Del Val Menús & Rocci, 2005)

 

Verder geven Del Val Menús & Rocci een groot aantal verkeerskundige problemen aan die de M-30 heeft gekend. Al deze problemen met de M-30 zijn uiteindelijk de aanleiding geweest voor de start van Proyecto Calle 30 en Proyecto Madrid Río, die er uiteindelijk voor zouden moeten zorgen dat de positieve invloeden van de weg behouden bleven, en de negatieve invloeden ongedaan werden gemaakt. Hoe dit is geprobeerd en of het is gelukt  zal in de volgende hoofdstukken worden bekeken.